Nieuw samengestelde gezinnen - Deel 1: Wie erft wat?

De laatste jaren komen nieuw samengestelde gezinnen meer en meer voor. Een nieuw samengesteld gezin bestaat uit de partners, hun kinderen uit een vorige relatie en eventueel hun latere gemeenschappelijke kinderen. Maar wie erft nu wat? Gelden er voor nieuw samengestelde gezinnen afwijkende regels?

1. Wettelijk erfrecht

Het feit dat u een nieuw samengesteld gezin vormt, doet geen afbreuk aan het wettelijk erfrecht dat in een zgn. klassiek gezin geldt. Dit betekent het volgende:

1/ U bent gehuwd: de langstlevende echtgenoot erft het vruchtgebruik van de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot. De kinderen van de overledene erven de blote eigendom van deze nalatenschap.

2/ U bent wettelijk samenwonend: De langstlevende partner heeft een erfrecht dat beperkt is tot het vruchtgebruik van de gezinswoning en de daarin aanwezige inboedel. Van deze goederen erven de kinderen van de overledene de blote eigendom, evenals de volle eigendom van alle andere goederen van de nalatenschap. 

3/ U bent feitelijk samenwonend: De langstlevende partner heeft geen wettelijk erfrecht en verkrijgt dus niets uit de nalatenschap van de overleden partner. De kinderen van de overledene erven de gehele nalatenschap in volle eigendom.  

Stiefkinderen zijn geen wettelijke erfgenamen van hun stiefouder. Bij overlijden van deze stiefouder verkrijgen zij dus niets uit diens nalatenschap.

Indien gewenst, kan u afwijken van het wettelijk erfrecht. Zo kan u via testament bepaalde personen bevoordelen (bv. uw partner, uw eigen kinderen, uw stiefkinderen of andere personen).

Hierbij dient u rekening te houden met het wettelijk voorbehouden erfdeel (= reservatair erfdeel) van de eigen kinderen en de langstlevende echtgenoot, dat hen niet kan worden ontnomen. Zo hebben de eigen kinderen recht op de helft van de nalatenschap (in blote eigendom, indien u gehuwd bent). De langstlevende echtgenoot heeft dan weer minimaal recht op ofwel de helft van de nalatenschap in vruchtgebruik ofwel het vruchtgebruik op de gezinswoning en inboedel. De langstlevende echtgenoot kan kiezen welke reserve hij/zij wenst.

2. Levenslang gebonden aan de (stief)ouder of niet: omzetting vruchtgebruik

Voorbeeld: Pierre (67 jaar) en Mieke (48 jaar) zijn reeds 19 jaar gehuwd. Pierre heeft twee kinderen uit een vorige relatie, Geert (47 jaar) en Heidi (45 jaar). Samen hebben ze nog een dochter, Alice (18 jaar). Begin 2022 overlijdt Pierre plots.

1/ Omzetting van het vruchtgebruik

Wanneer de kinderen de blote eigendom erven van (een deel van) de nalatenschap, zullen zij pas bij overlijden van de langstlevende echtgenoot of partner de volle eigenaar worden van deze goederen.

Het is echter niet altijd wenselijk dat (stief)kinderen en (stief)ouders levenslang aan elkaar gebonden zijn. Daarom voorziet de wet de mogelijkheid om de verhouding vruchtgebruik – blote eigendom te beëindigen. Het vruchtgebruik wordt dan omgezet in volle eigendom, in een som geld of in een rente.

Er gelden wel verschillende regels afhankelijk van wie blote eigenaar is:

  1. gemeenschappelijk(e) kind(eren): Indien er geen akkoord tussen de ouder en het kind wordt bereikt, heeft de rechter een zekere appreciatiebevoegdheid om de omzetting al dan niet toe te staan. Om evenwel te vermijden dat uw kind de omzetting zou vragen, kan het recht om dit te vragen hem ook ontnomen worden, bijvoorbeeld via testament.
  2. stiefkind(eren): Zowel de stiefouder als het stiefkind hebben steeds een recht op omzetting. De omzetting kan hen niet geweigerd worden. De rechter heeft dus geen appreciatiebevoegdheid en zal de omzetting moeten toestaan. Ter bescherming van de kinderen uit een vorige relatie kan in dit geval het omzettingsrecht niet testamentair aan hen worden ontnomen. De stiefkinderen kunnen dus steeds ontsnappen aan de binding met hun stiefouder.

In ons voorbeeld zullen de drie kinderen van Pierre zich niet allen op dezelfde regelgeving kunnen beroepen. Zo kan Alice de omzetting van het vruchtgebruik wel vragen, maar indien Mieke hier niet mee akkoord gaat, hangt het van de rechter af of de omzetting ook zal worden toegestaan. Anders is het voor Geert en Heidi. Wanneer zij de omzetting vragen, zal deze sowieso worden toegestaan. Indien Pierre via testament het omzettingsrecht had ontnomen aan zijn kinderen, zal enkel Alice hierdoor gebonden zijn.

Een uitzondering omtrent het voorgaande betreft de gezinswoning, ongeacht wie blote eigenaar is. Het vruchtgebruik van de gezinswoning kan nooit worden omgezet zonder toestemming van de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende partner (= vetorecht).

2/ Instantveroudering van de stiefouder

Om het vruchtgebruik te kunnen omzetten, moet dit vruchtgebruik eerst worden gewaardeerd. Hiervoor kan worden verwezen naar de wettelijke omzettingstabellen die jaarlijks (begin juli) worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, maar het is ook mogelijk om in onderling overleg voor andere omzettingstabellen te opteren. Deze tabellen houden onder meer rekening met de leeftijd van de vruchtgebruiker: hoe jonger de vruchtgebruiker, hoe hoger de waarde van het vruchtgebruik.

Op basis van de wettelijke omzettingstabellen zal het vruchtgebruik van Mieke in principe gewaardeerd worden op 32,69%.

In samenloop met stiefkinderen geldt echter een bijzondere regel in verband met de waardering van het vruchtgebruik: de stiefouder, Mieke in dit voorbeeld, wordt geacht 20 jaar ouder te zijn dan het oudste stiefkind, namelijk 20 jaar ouder dan de 47-jarige Geert.

Het vruchtgebruik van Mieke wordt dus niet gewaardeerd op 32,69% (waarde vruchtgebruik vrouw leeftijd 48 jaar), maar op slechts 19,01% (waarde vruchtgebruik vrouw leeftijd 67 jaar). Deze ‘instantveroudering’ leidt bijgevolg tot een lagere (en dus voor haar nadeligere) waardering van het vruchtgebruik.

Op haar vruchtgebruik zal Mieke ook erfbelasting verschuldigd zijn. Hou er rekening mee dat de fiscus een andere tabel hanteert voor de waardering van het vruchtgebruik (zie artikel 2.7.3.3.2 VCF) én er geen sprake is van instantveroudering. Het vruchtgebruik van Mieke als 48-jarige wordt in dat geval gewaardeerd op 56%. Dit leidt tot een scheefgetrokken situatie. Hoewel Mieke erfbelasting betaalt op het vruchtgebruik met een waarde van 56%, verkrijgt zij na de omzetting slechts 19,01%.