Hervorming vennootschapsbelasting

Hervorming vennootschapsbelasting

Werd het niet tijd om de fiscale druk voor KMO ’s en ondernemers te verlichten? Om de huidige vennootschapsbelasting te vereenvoudigen? Wensen we ons land niet wat aantrekkelijker te maken voor ondernemers?

De lang aangekondigde hervorming van de vennootschapsbelasting komt er eindelijk door, dankzij het zomerakkoord van de Regering Michel. Op vrijdag 22 december 2017 werd de hervorming gestemd door het Parlement. Zo zou de vennootschapsbelasting minder complex worden en gepaard gaan met lagere tarieven. Maar, aangezien de hervorming budgetneutraal moet zijn, impliceert dit een compensatie op andere vlakken.

Maatregelen met specifieke inwerkingtreding

Investeringsaftrek

Voor de investeringen verwezenlijkt tussen 1 januari 2018 en 31 december 2019 wordt de eenmalige investeringsaftrek tijdelijk verhoogd van 8% naar 20%. Dit geldt zowel voor KMO vennootschappen als voor eenmanszaken. De regering Michel wenst op deze manier KMO ‘s en zelfstandigen fiscaal te stimuleren om meer investeringen te doen de eerstkomende 2 jaar. 

Hoog technologische producten

De voorziene verhoogde gespreide investeringsaftrek voor vaste activa in productiemiddelen van hoogtechnologische producten gedaan vanaf 1 januari 2016 wordt ingetrokken. Hetzelfde geldt voor de verhoging van de vrijstelling van de doorstortingsverplichting bij ploegen- en nachtarbeid in ondernemingen die dergelijke hoogtechnologische producten produceren.

Roerende voorheffing bij kapitaalvermindering

Wanneer een vennootschap een kapitaalvermindering wenst door te voeren en zij beschikt eveneens over belaste reserves, dan zal de kapitaalvermindering niet meer integraal aangerekend kunnen worden op het gestorte kapitaal. Vanaf 1 januari 2018 zal een kapitaalvermindering pro rata aangerekend worden op enerzijds het gestort kapitaal en anderzijds op de belaste reserves (al dan niet geïncorporeerd in het kapitaal) en de in kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves. Hierdoor zal  er bij een kapitaalvermindering voortaan 30% roerende voorheffing verschuldigd zijn op het gedeelte van de uitgekeerde reserves. Het gedeelte toegerekend op het gestort kapitaal blijft nog steeds onbelast.

Niet (onmiddellijk) uitkeerbare reserves worden hier niet in rekening gebracht. Denk maar aan de wettelijke reserve t.b.v. het wettelijk minimum, liquidatiereserves, voorzieningen, onderschattingen van activa en overschattingen van passiva…

Merk op: De kapitaalvermindering met betrekking tot de vastgeklikte reserves in kader van artikel 537 WIB wordt hier niet geviseerd (de zogenaamde interne liquidatie). De overgangsmaatregel heeft voorrang op deze kapitaalverminderingen.

Maatregelen vanaf aanslagjaar 2019 (boekjaar vanaf 1/1/2018)

Tarief in de vennootschapsbelasting

Vanaf 2018 wordt er in 2 fases naar 2 nominale tarieven in de vennootschapsbelasting gewerkt, een heuse vereenvoudiging. Onderstaand schema verduidelijkt de wijziging:

 

Oud regime

Inkomstenjaar 2018

Inkomstenjaar 2020

Basistarief 

33%

29%

25%

Verlaagd tarief

€ 0 – € 25 000: 24,25%

€ 25 000 – € 90 000: 31%

€ 90 000 – € 322 500: € 34,5%

> € 322 500: basistarief

€ 0 - € 100 000: 20% (KMO)

> € 100 000: basistarief

Crisisbijdrage

3%

2%

0%

 

Voortaan komen enkel nog KMO ’s in aanmerking voor het verlaagd tarief van 20%. Ook de voorwaarden om te kunnen genieten van het verlaagd tarief worden gewijzigd. Zo wordt onder meer de voorwaarde dat een dividenduitkering niet hoger mag zijn dan 13% van het gestort kapitaal, geschrapt. Met andere woorden, kleine vennootschappen zullen voortaan het verlaagd tarief niet verliezen louter en alleen omdat ze meer dan 13% van het gestort kapitaal als dividend uitkeren.

Ook de bezoldigingsvoorwaarde wordt gewijzigd. De minimumbezoldiging, toegekend aan tenminste één bedrijfsleider, wordt verhoogd van € 36.000 naar € 45.000. Er worden evenwel 2 uitzonderingen voorzien: (1) Deze regel geldt niet voor startende ondernemingen gedurende de eerste 4 jaar. (2) Is het belastbaar resultaat lager dan € 45 000, dan dient de bezoldiging minstens gelijk te zijn aan het belastbaar resultaat.

Voor verbonden ondernemingen, die slechts over één en dezelfde bedrijfsleider beschikken, worden alle gestorte bezoldigingen aan deze ene bedrijfsleider gezamenlijk in aanmerking genomen. De minimum bezoldiging wordt dan op € 75 000 gebracht.

Bijzondere aanslag bij tekort aan bezoldiging

Voor aanslagjaren 2019 en 2020 wordt er een bijzondere aanslag van 5,1% opgelegd aan de vennootschap die “geen of te weinig” bezoldiging uitkeert aan een bedrijfsleider. Vanaf aanslagjaar 2021 zal deze bijzondere aanslag 10% bedragen. Om te oordelen of er voldoende uitgekeerd wordt, gaat men de bezoldiging toetsen aan de bezoldigingsregel van € 45 000, tenzij de belastbare winst lager ligt. Deze bijzondere aanslag wordt berekend op het tekort en is fiscaal aftrekbaar.

Er geldt wel een uitzondering voor startende ondernemingen. Voor verbonden vennootschappen is de bijzondere aanslag dan weer verschuldigd door de verbonden vennootschap met het hoogste belastbaar resultaat, tussen de bedoelde verbonden vennootschappen die niet voldoen aan de bezoldigingsvoorwaarde. 

100% DBI-aftrek

De DBI-aftrek (aftrek definitief belaste inkomsten) kan vanaf aanslagjaar 2019 voor 100% toegepast worden in plaats van voor 95%.

Meerwaarden op aandelen

Vooreerst wordt het belastingtarief van 0,412% voor meerwaarden op aandelen voor grote vennootschappen afgeschaft. Daarnaast worden de regels van vrijstelling voor verwezenlijkte meerwaarden op aandelen verstrengd en in lijn gebracht met de DBI voorwaarden.

Voorheen waren meerwaarden op aandelen, aangehouden door vennootschappen, vrijgesteld wanneer de taxatievoorwaarde vervuld is en voor zover deze aandelen gedurende een ononderbroken periode van minimum 1 jaar in volle eigendom worden aangehouden. Dit zijn tevens 2 van de 3 voorwaarden voor de DBI aftrek. Vanaf 1 januari 2018 wordt nu ook de 3de voorwaarde toegevoegd om de vrijstelling op meerwaarden te kunnen genieten. Deze derde voorwaarde is de participatievoorwaarde en houdt in dat de participatie minimum 10% in het kapitaal moet bedragen of een aanschaffingswaarde van minstens € 2 500 000. Dit is met andere woorden slecht nieuws voor de vennootschappen die slechts in kleine participaties beleggen (< 10%). Zij zullen de aandelen niet langer belastingvrij kunnen verkopen.

Tax shelter uitgebreid

De bestaande tax shelter-regeling voor startende ondernemingen breidt uit naar groeibedrijven en geldt dus niet langer enkel voor start-ups. De belastingvermindering voor startende ondernemingen bedraagt 30% of 40%, terwijl dit voor groeibedrijven 25% zal bedragen.

Investeringsreserve

De aanleg van een investeringsreserve wordt afgeschaft vanaf aanslagjaar 2019. Ook de bestaande investeringsreserves zullen geleidelijk aan verdwijnen.

Herziening van de notionele intrestaftrek

De notionele intrestaftrek (of aftrek voor risicokapitaal) is een fictieve intrestaftrek, berekend op het eigen vermogen, die de belastbare basis vermindert. Vennootschappen met een hoog eigen vermogen kregen hierdoor een fiscale stimulans ten opzichte van bedrijven met veel vreemd vermogen.

Vanaf 1 januari 2018 wordt deze notionele intrestaftrek stevig ingeperkt. Deze aftrek zal niet langer worden toegekend op het totale eigen vermogen, maar op de aangroei van het eigen vermogen in de voorbije 5 jaar. Bijvoorbeeld, bij een kapitaalverhoging van € 100 000 zal je de notionele intrestaftrek niet meer in één keer kunnen toepassen op deze € 100 000, maar wel op € 20 000 gedurende 5 jaar.

Minimumwinstbelasting

Ter compensatie voor het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting, wordt er een minimumwinstbelasting ingevoerd. Wat houdt dit concreet in? Alle vennootschappen die minstens € 1 000 000 belastbare winst realiseren, zullen niet langer onbeperkt kunnen gebruik maken van fiscale aftrekposten om de belastbare basis weg te werken.

Op het overschrijdend gedeelte boven € 1 000 000 mogen bedrijven slechts voor 70% aftrekposten indienen. Hierdoor blijft 30% van het overschrijdend gedeelte steeds onderhevig aan het volle tarief in de vennootschapsbelasting. Met andere woorden, zelfs wanneer grote vennootschappen de aftrekposten optimaal benutten, dan zullen ze vanaf 2020 toch op het overschrijdend gedeelte steeds 7,5% belastingen betalen (30% x 25% = 7,5%).

Ook de aanrekeningsvolgorde van de aftrekposten wijzigt vanaf aanslagjaar 2019.

Vooruitbetaalde kosten: Matchingprincipe

Voorheen was het mogelijk om kosten, die boekhoudkundig aan een volgend boekjaar moeten worden toegerekend, bij de betaling ervan in het lopend boekjaar als beroepskost in aftrek te brengen. Vanaf aanslagjaar 2019 zou het boekhoudkundig matchingprincipe ook fiscaal doorwerken. Met andere woorden, kosten verbonden aan activiteiten of inkomsten van een volgend boekjaar zullen nog louter fiscaal aftrekbaar zijn in dat volgend boekjaar.

Beperking voorziening en kosten

Voortaan kunnen enkel nog de voorzieningen die voortvloeien uit een wettelijke of contractuele verplichting fiscaal worden vrijgesteld. Ook de voorziening die kan worden aangelegd bij vergoeding voor een schadegeval, waartegen men verzekerd is, wordt behouden. Overige voorzieningen voor risico’s en kosten zijn niet langer fiscaal vrijgesteld. Deze bepaling is van toepassing op de voorzieningen die worden aangelegd vanaf aanslagjaar 2019, verbonden aan het boekjaar dat ten vroegste start vanaf 1 januari 2018.

Gespreide taxatie en wederbelegging

Wanneer een vennootschap een meerwaarde realiseert bij de verkoop van een bedrijfsgoed, is deze meerwaarde belastbaar. Om te ontsnappen aan de éénmalige belasting aan het gewone tarief, kan de vennootschap evenwel kiezen voor de gespreide taxatie van de meerwaarde. Daarvoor moet ze tijdig de verkoopprijs herbeleggen in afschrijfbare activa die bedrijfsmatig worden gebruikt. De meerwaarde wordt dan maar belast volgens het afschrijvingsritme van de herinvestering.

Gebeurt de wederbelegging niet tijdig of zijn de voorwaarden niet nageleefd, dan zal de meerwaarde niet belast worden aan het intussen verlaagde tarief, maar aan het “oude” belastingtarief (op het moment dat de meerwaarde verwezenlijkt werd).

Bovendien zullen op meerwaarden die spontaan belastbaar worden gesteld zonder afdoende herbeleggingen voortaan ook nalatigheidsintresten verschuldigd zijn.

Nalatigheidsintresten

Ook de berekening van de nalatigheids- en moratoriumintresten werd door de regering Michel gewijzigd. De nalatigheidsintrest zal minimum 4% en maximum 10% bedragen. De moratoriumintrest zal telkens 2% lager zijn.

Hogere sanctie bij niet-aangifte

Het niet indienen van de aangifte in de vennootschapsbelasting zal voortaan zwaarder worden gestraft.

Voorafbetalingen

Ook worden vennootschappen meer en meer aangemoedigd om voorafbetalingen te doen. Zoals alom bekend wordt er een belastingvermeerdering toegevoegd wanneer er onvoldoende voorafbetalingen gebeuren. De berekening van de vermeerdering blijft behouden (2,25 x rentevoet), maar de basisrentevoet die voorheen minstens 1% bedroeg, wordt nu minstens 3%. Zo wordt een vermeerdering minstens 6,75%, wat het niet voorafbetalen een dure aangelegenheid maakt.

Er geldt evenwel een uitzondering voor KMO ’s gedurende de eerste 3 jaren van oprichting. Dan geldt de vermeerdering niet.

Tax shelter voor audiovisuele werken en podiumkunsten

Ook worden er wijzigingen aangebracht in het fiscaal stelsel van de tax shelter voor audiovisuele werken en podiumkunsten, rekening houdend met het nieuwe tarief in de vennootschapsbelasting. Op die manier kan hetzelfde rendement gegarandeerd worden als vóór de tariefverlaging in de vennootschapsbelasting.  

 

Voorlopige vrijstelling

Definitieve vrijstelling

Rendement

Aanslagjaar 2018

310% x investering

150% x fiscale waarde attest

5,27%

Aanslagjaar 2019

356% x investering

172% x fiscale waarde attest

5,30%

Aanslagjaar 2020

421% x investering

203% x fiscale waarde attest

5,25%

 

Maatregelen voor eenmanszaken

1/ Voor zelfstandigen met winsten worden de forfaitaire beroepskosten in de personenbelasting gelijkgesteld aan deze van werknemers. Er geldt een tarief van 30% met een maximum van € 4 720 voor inkomstenjaar 2018.

2/ De aftrekbaarheid van autokosten voor zelfstandigen met een eenmanszaak wordt in de personenbelasting voortaan bepaald in functie van de CO² uitstoot.

3/ Zelfstandigen met een eenmanszaak kunnen voortaan ook aan extralegale pensioenopbouw doen, naast het VAPZ. Men noemt dit de POZ (zie ook het artikel hieromtrent op onze website). Dergelijke premies voor pensioenopbouw geven recht op een belastingvermindering van 30%.

4/ De tijdelijke verhoging van de eenmalige investeringsaftrek werd reeds aangehaald.

5/ Stopzettingsmeerwaarden : Meerwaarden, die een zelfstandige realiseert bij de stopzetting van de eenmanszaak op een gunstig moment ( vanaf 60 jaar of wegens overlijden of ingevolge gedwongen stopzetting), worden vanaf aanslagjaar 2019 belast aan 10%.  Stopzettingsmeerwaarden op financiële vaste activa en andere aandelen zullen enkel aan het tarief van 10% worden onderworpen in zoverre het belastbare bedrag ervan hoger is dan het totale bedrag van de eerder op deze activa fiscaal aangenomen waardeverminderingen.

Maatregelen vanaf aanslagjaar 2020 (boekjaar vanaf 1/1/2019)

De bijkomende maatregelen die gelden vanaf aanslagjaar 2020 hebben hoofdzakelijk een impact in een internationaal kader. Onze aandacht gaat voornamelijk uit naar de fiscale consolidatie van groepsverliezen. Vanaf aanslagjaar 2020 wordt het mogelijk om de winsten en verliezen van vennootschappen in een groep te gaan verschuiven. De neutraliteit tussen deze vennootschappen zou evenwel behouden blijven doordat de ene vennootschap een vergoeding zal dienen te betalen aan de andere vennootschap als tegenprestatie voor het belastingvoordeel dat op het verlies rust, dat wordt overgenomen via deze nieuwe regeling. 

Maatregelen vanaf aanslagjaar 2021 (boekjaar vanaf 1/1/2020)

Naast de verdere tariefdalingen, die hiervoor reeds werden aangehaald, zijn er nog enkele wijzigingen die gelden vanaf aanslagjaar 2021, verbonden aan een boekjaar dat ten vroegste start vanaf 1 januari 2020. We sommen er hier enkele op.

Disconto voor schulden

Een disconto voor schulden met betrekking tot niet-afschrijfbare activa (bv. aandelen) zal niet langer als aftrekbare kost worden aanvaard.

Mobiliseren van vrijgestelde reserves

Vennootschappen zullen gedurende 2 jaar (2020 en 2021) gestimuleerd worden om vrijgestelde reserves om te zetten in “gewone” belaste reserves, tegen een verlaagd tarief van 15%. Mits nog enkele voorwaarden vervuld zijn, kan het tarief verder dalen tot 10%. 

De vrijgestelde reserves die hiervoor in aanmerking komen, zijn deze die bestonden voor de belastbare tijdperken die afsluiten vóór 1 januari 2017.

Deze maatregel geldt als minimale belastbare grondslag. Er mogen geen voorheffingen, geen forfaitaire buitenlandse belastingen en geen belastingkredieten worden verrekend.

Afschrijvingen

Vanaf aanslagjaar 2021 worden degressieve afschrijvingen niet meer mogelijk.

Bovendien zullen ook de KMO ’s, niet enkel de grote vennootschappen zoals op heden, verplicht worden om pro rata temporis af te schrijven in het jaar van de investering. Wat de bijkomende aankoopkosten betreft, hebben KMO ’s voortaan de keuze: ofwel ineens aftrekken ofwel afschrijven.

Deze wijzigingen van de afschrijvingsregimes zullen van toepassing zijn op de activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2020.

Aftrekbeperking voor bepaalde uitgaven

1/ Alle administratieve boetes zullen niet langer aftrekbaar zijn.

2/ De aanslag voor geheime commissielonen wordt niet langer aftrekbaar.

3/ Wanneer de zwarte winsten vrijwillig worden opgenomen in de boekhouding, dan is er op heden een aanslag van geheime commissielonen t.b.v. 50% van toepassing. Dit zou worden opgeheven, daar deze maatregel thuishoort in de fiscale regularisatie waar de tarieven zwaarder zijn.

4/ Op heden kennen we 120% aftrekbaarheid van de kosten voor elektrische wagens. Ook dit wordt vanaf aanslagjaar 2021 teruggebracht naar 100%.

Rekening courant

Wanneer een bedrijfsleider een rekening courant met een creditsaldo heeft, dan worden er dikwijls intresten toegekend. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de eventuele herkwalificatie van intresten in dividenden. Intresten van voorschotten worden tot dividend geherkwalificeerd in de mate dat er één van de volgende twee grenzen wordt overschreden:  (1) hetzij indien de toegepaste rentevoet de marktconforme rentevoet overschrijdt;  (2) hetzij wanneer het totale bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan het gestort kapitaal bij het einde van het belastbaar tijdperk, verhoogd met de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk.

Het  criterium “marktrente” zorgde veelal voor onduidelijkheid en zal vervangen worden door een duidelijke rentevoet. Een gelijkaardige regeling zal getroffen worden voor de intresten van een rekening courant met een debetsaldo.

Diverse aanpassingen

Vanaf aanslagjaar 2021 worden er bepaalde vrijstellingen afgeschaft: aanvullend en/of bijkomend personeel, 40% van het loon van stagiairs, meerwaarden op voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer van personeel (woon-werk) … 

Hervorming vennootschapsbelasting
"We hebben Strategica gevonden. Zij hebben ons glashelder de do's en dont's uitgelegd."
De Paepe – Landegem

Schrijf u snel in voor onze nieuwsbrief