Van attest tot akte: medische en juridische verantwoordelijkheden bij vermogensoverdracht
De beoordeling van de wilsbekwaamheid van een persoon vormt een fascinerend kruispunt tussen geneeskunde en recht. Artsen, notarissen en juristen bevinden zich samen in een spanningsveld dat in de praktijk steeds belangrijker wordt. Toch blijft de wisselwerking vaak impliciet en onderbelicht, terwijl net in dat samenspel de sleutel ligt tot wat we als "verantwoorde, juridisch sluitende en menselijk gedragen vermogensoverdrachten" kunnen beschouwen.
In het kort
|
Een testament, een schenking, een zorgvolmacht… allemaal zijn dit juridische handelingen waarbij de medische toestand vaak mee de geldigheid bepaalt.
Vandaag is het zo dat artsen steeds vaker worden geconfronteerd met verzoeken tot attestering van de geestestoestand van hun patiënten, al dan niet op vraag van de patiënt zelf, diens familie, een notaris of een advocaat.
Tegelijkertijd worden notarissen gevraagd om testamenten, schenkingen en zorgvolmachten te verlijden bij oudere of kwetsbare mensen, soms zonder voldoende oog te hebben voor de complexiteit van de medische realiteit.
Artsen kunnen worden gezien als de poortwachters van de wilsbekwaamheid.
Maar om die rol correct en ethisch te (kunnen) vervullen, moeten ook zij begrijpen wat de juridische invulling is van het begrip "gezondheid van geest". Zij mogen niet bang zijn om – weliswaar binnen de regels van hun beroepsgeheim – gepaste stappen te zetten om familiale conflicten te vermijden. Ze kunnen patiënten sensibiliseren over het belang van tijdige en formele planning, net om hun autonomie te waarborgen.
Tegelijkertijd moeten ook notarissen zich bewust zijn van de grenzen van het medisch beroepsgeheim en hun eigen verantwoordelijkheid opnemen. Een zorgvolmacht of notarieel testament is namelijk geen blanco of standaard invuloefening, maar een moment van dialoog.
Notarissen moeten uitleg geven over de door hen voorgestelde clausules, over de Wet Patiëntenrechten, over de verschillen tussen een zorgvolmacht en een levenstestament. Ze mogen geen genoegen nemen met het louter doorsturen van (standaard)modellen, maar dienen hun cliënt te ontvangen, te bevragen, te informeren en vervolgens bij te staan.
Artsen, notarissen, advocaten en juristen hebben samen de kennis en de mogelijkheden om misbruik en betwistingen te vermijden bij vermogensoverdrachten in de ruime zin van het woord.
Maar in de dagelijkse drukte van de praktijk rijst de vraag: hebben ze de tijd, de wil én de overtuiging om dat samenspel ook effectief vorm te geven?
1. De kruisbestuiving tussen medische en juridische beroepen
Artsen en juristen benaderen de mens vanuit verschillende referentiekaders:
-
De arts richt zich op zorg, welzijn, bescherming en het vertrouwelijke karakter van de medische relatie.
-
De jurist vertrekt vanuit autonomie, het zelfbeschikkingsrecht, en de formele geldigheid van de op te maken documenten, alsook het vertrouwelijk karakter van de relatie.
Toch raken die werelden elkaar vandaag meer dan ooit. De praktijk van vermogensplanning – de opmaak van zorgvolmachten, schenkingen, bankgiften, testamenten… – toont aan hoe sterk de juridische en medische wereld met elkaar vervlochten zijn geraakt.
In een doorsnee zorgvolmacht wordt heden ten dage niet alleen een lasthebber maar ook een vertrouwenspersoon aangeduid en tegelijk ook al expliciet geregeld dat deze persoon bepaalde medische beslissingen mag nemen en inzage krijgt in het patiëntendossier. Sommige notarissen verwijzen hun cliënten uitdrukkelijk door naar de website van LEIF (LevensEinde InformatieForum), in het kader van voorafgaande wilsverklaringen.
Hetzelfde geldt voor testamenten en schenkingen, die steeds vaker worden aangewend als instrumenten van familiale solidariteit, vaak bij leven, en vaak in kwetsbare fases. De notaris heeft dan een juridische opdracht, maar weet ook dat twijfel over de mentale toestand aanleiding kan geven tot betwisting.
Wie is dan beter geplaatst dan de arts om duiding te geven over het mentale functioneren van de cliënt/patiënt?
De kruisbestuiving tussen beide beroepen is dus geen uitzondering meer. Ze vergt begrip voor elkaars uitgangspunten, maar bovenal de bereidheid om écht te communiceren; met de cliënt, met de patiënt en desgevallend ook met elkaar1.
2. Tijdigheid als voorwaarde voor effectieve vermogensplanning
Wanneer er over familiale vermogensplanning wordt geschreven, gaat het bijna altijd over specifieke juridische constructies, fiscale optimalisaties of recente standpunten en uitspraken van de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel), hoven en rechtbanken.
Uiteraard zijn die elementen belangrijk en vormen ze de dagelijkse realiteit van onze praktijk als jurist. Maar wat vaak onderbelicht blijft – en nochtans van doorslaggevend belang is – is de tijdigheid van de planning.
Nog vóór er sprake is van enige fiscale spitsvondigheid, moet er voldoende mentale helderheid, vertrouwen en voorbereiding zijn. Dát is de ware kern van een geslaagde vermogensoverdracht. De waarheid is simpel: wie wacht met plannen tot het echt nodig is, wacht vaak te lang.
Vermogensplanning veronderstelt namelijk dat men wilsbekwaam is. En wilsbekwaamheid is niet enkel een juridisch begrip, maar ook een medisch-contingent gegeven. Artsen zijn in de praktijk vaak de eersten die tekenen van cognitieve achteruitgang vaststellen, vaak nog voor de omgeving iets opmerkt. Wachten op een diagnose is vaak wachten tot het juridisch te laat is.
Maar ook het omgekeerde is waar: de realiteit toont dat iemand nog juridisch wilsbekwaam kan zijn, terwijl familieleden onderling al in conflict liggen over de mentale toestand van de persoon in kwestie. In procedures over betwiste testamenten of schenkingen wordt het concept "gezondheid van geest" vaak tot inzet gemaakt.
Wilsbekwaamheid is daarmee een gemeenschappelijk ijkpunt geworden. Niet langer een exclusieve juridische of medische aangelegenheid, maar het product van gedeeld inzicht en (waar mogelijk) samenwerking.
3. Wilsbekwaamheid bij vermogensplanning: medische en juridische verantwoordelijkheden in balans
- gezond zijn van geest…
Artikel 4.136 BW bepaalt dat wie een gift wil doen, "gezond van geest" moet zijn. Dat lijkt evident, maar is juridisch én medisch een geladen begrip.
Vanuit juridisch oogpunt geldt, net zoals onder artikel 901 oud BW, het uitgangspunt dat de beschikker geacht wordt gezond van geest te zijn, tot het tegendeel is bewezen.
Wat "gezond van geest" betekent, is noch medisch noch juridisch eenduidig omschreven. De wetgever heeft ervoor gekozen geen definitie te geven, waardoor het oordeel wordt overgelaten aan de feitenrechter. De uitdrukking is bewust algemeen gehouden, zonder wetenschappelijke pretentie, net omdat het domein van de geestelijke gezondheid voortdurend in beweging is.
Toch bestaat er consensus dat het begrip niet vereenzelvigd kan worden met de aan- of afwezigheid van een geestesziekte in enge medische zin. Medische stoornissen zijn slechts relevant voor zover zij effectief het oordeelsvermogen, en daarmee de vrije wil van de patiënt/cliënt, aantasten2.
Vanuit medisch perspectief kunnen dan weer ook fysieke factoren – zoals ouderdom, ernstige pijn of een neurologisch letsel – leiden tot een tijdelijke of blijvende aantasting van het oordeelsvermogen. Tegelijk leert de praktijk dat zulke fysieke oorzaken slechts zelden tot een rechterlijke vaststelling van wilsonbekwaamheid leiden, in tegenstelling tot psychiatrische aandoeningen, die sneller geassocieerd worden met ongezondheid van geest. Die evolutie heeft deels te maken met de bewijsproblematiek: gedrag dat leken als “afwijkend” ervaren, is makkelijker als verontrustend te bestempelen dan subtiele, maar reële mentale achteruitgang.
Daar schuilt net de verantwoordelijkheid van de arts. Hij of zij is immers bij uitstek geplaatst om te beoordelen of de patiënt – ongeacht leeftijd of fysieke toestand – nog beschikt over een vrije en weloverwogen wil, los van oppervlakkige indrukken of vooroordelen over ouderdom. Niet zelden immers worden personen van hoge leeftijd of met fysieke beperkingen te snel als wilsonbekwaam beschouwd zonder dat daar enige feitelijke grondslag voor is.
- En de rol van de notaris…
Rechtspraak en rechtsleer benadrukken dat de notaris een deontologische verplichting heeft om te waken over het bestaan van een volwaardige wil. Tegelijk wordt benadrukt dat het niet de taak van de notaris is om – rechtstreeks of onrechtstreeks – de gezondheid van geest van de erflater te attesteren3. Hij beschikt immers niet over een bijzondere bevoegdheid noch bekwaamheid daartoe.
Hoewel sommigen verdedigen dat de notaris als juridisch expert bekwaam zou zijn om de geestestoestand te beoordelen, gaat het hier niet om de vraag naar feitelijke competentie, maar naar juridische bevoegdheid. En die ontbreekt. Het beoordelen van de gezondheid van geest impliceert immers een medische diagnose, wat op grond van artikel 3 van de wet van 10 mei 2015 tot de voorbehouden handelingen van de medische beroepen behoort.
De wilsverklaring krijgt echter geen grotere juridische waarde door de tussenkomst van een notaris, ook al is de perceptie vaak anders. De notaris is nagenoeg nog altijd geen arts. Het loutere feit dat een persoon beroep doet op een notaris om zijn wil in een notarieel testament op te nemen en de notaris zijn ambt daartoe verleent, is géén garantie m.b.t. de wilsbekwaamheid van de declarant.
Net zoals hiervoor uiteengezet ligt hier dus een essentiële rol voor de arts: niet om een juridisch oordeel te vellen, maar om medisch te onderbouwen of de patiënt op het relevante ogenblik over een helder beoordelingsvermogen beschikte.
Rechters hechten veel belang aan het concept wilsbekwaamheid, maar het bewijs van wilsonbekwaamheid is moeilijk, zeker na overlijden. Artsen die vandaag een attest opstellen over de geestestoestand van een patiënt, kunnen dus een cruciale rol spelen in het voorkomen van (eventuele toekomstige) juridische betwistingen. Zij zijn – vaak zonder dat ze het beseffen – medebewakers van familiale rust.
- En het beroepsgeheim van de arts dan…?
Toch is voorzichtigheid geboden. Een ongevraagd medisch verslag, zonder toestemming van de patiënt, kan het beroepsgeheim schenden4.
Daartegenover staat dat een attest op vraag van de patiënt, waarin zorgvuldig wordt omschreven dat hij of zij op datum X nog wilsbekwaam was, een waardevol juridisch ankerpunt kan zijn voor de notaris, de advocaat én ook voor de familie. Het is geen diagnose, maar een beschrijving van het functioneren op dat moment.
Zorgvolmachten, die steeds vaker worden opgemaakt, zijn nog zo'n instrument waar medische duiding onmisbaar wordt. De activering van een zorgvolmacht gebeurt immers meestal op het moment dat de persoon wilsonbekwaam is geworden. Maar wie oordeelt daarover?
Vaak is het opnieuw de arts die een verklaring aflevert, of op zijn minst een signaal geeft. Of treedt de zorgvolmacht pas in werking na voorlegging van een medisch attest die de wilsonbekwaamheid vaststelt. Tegelijk bevat de zorgvolmacht vaak medische luiken, zoals toestemming voor medische tussenkomsten, vertegenwoordiging bij ziekenhuisopnames, of toegang tot het medisch dossier. Ook hier kruisen de werelden van zorg en recht elkaar in de praktijk, maar niet in de theorie.
In dat verband pleit Prof. Dr. Jan Bael – in een recente bijdrage5 – terecht voor een meer ontspannen visie op het beroepsgeheim6. Volgens hem hoeft het beroepsgeheim een behandelend arts niet in de weg te staan om, mits toestemming en met de nodige voorzichtigheid, een medisch attest op te maken over de geestestoestand van een patiënt7.
De rechtspraak van de laatste jaren bevestigt dat medische verslagen en attesten wél degelijk worden opgenomen in de motieven van rechtbanken en de hoven, zonder dat uit de vonnissen of arresten expliciete discussies blijken over de problematiek van het beroepsgeheim van de arts8.
Artsen moeten dus niet terugdeinzen om, mits correcte context, bij te dragen aan de juridische verankering van familiale keuzes. Want uiteindelijk is dat ook wat testatoren, schenkers én erfgenamen willen: rechtszekerheid, rust, en familiale duidelijkheid.
De patiënt is tegelijk cliënt. De cliënt is tegelijk patiënt.
De arts is soms de poortwachter van autonomie. De notaris is dan de bewaker van juridische vorm en inhoud. En tussen beide moet overleg mogelijk zijn, mits respect voor het beroepsgeheim, de vertrouwensband en de vrije wil van de patiënt-cliënt. Het is precies die wisselwerking die ervoor kan zorgen dat een vermogensoverdracht niet alleen rechtsgeldig, maar ook blijvend onaantastbaar wordt.
Voetnoten:
1 J. BAEL, “De Gezondheid van Geest van de Schenker of de Testator En Het Beroepsgeheim van de Arts : Kan de Notaris Rechtstreeks Een Arts Raadplegen?” Patrimonium 2024, edited by Charlotte Declerck and Sven Mosselmans, vol. 19, die Keure, 2024, pp. 299–314.
2 Zie daarover H. NYS, “commentaar bij art. 4.136 BW” (bijgewerkt 1 maart 2023), in Artikelsgewijze commentaar erfenissen, schenkingen en testamenten, Mechelen, Kluwer, losbl., Afl. 63.
3 Zie J. Bael, “De Gezondheid van Geest van de Schenker of de Testator En Het Beroepsgeheim van de Arts : Kan de Notaris Rechtstreeks Een Arts Raadplegen?” Patrimonium 2024, edited by Charlotte Declerck and Sven Mosselmans, vol. 19, die Keure, 2024, blz. 299 t.e.m. 302.
4 Zie daarover ook J. BAEL, “De gezondheid van geest bij het testament en de schenking, het gebruik van medische attesten en het beroepsgeheim van de arts, met bijzondere aandacht voor de rechtspraak van de laatste 10 jaar”, T.Not. 2017, 294-342 en H. NYS, ‘Het beroepsgeheim in de gezondheidszorg. Overzicht van rechtspraak 1970-1984’, R.W. 1985-86, 1274 en de daar aangehaalde rechtspraak.
5 J. Bael, “De Gezondheid van Geest van de Schenker of de Testator En Het Beroepsgeheim van de Arts : Kan de Notaris Rechtstreeks Een Arts Raadplegen?” Patrimonium 2024, edited by Charlotte Declerck and Sven Mosselmans, vol. 19, die Keure, 2024, blz. 299 t.e.m. 302.
6 Maar ook al eerder – zie in dat verband: J. BAEL, “Erfenissen, schenkingen en testamenten”, in Rechtskroniek voor het notariaat, Deel 5, Brugge, die Keure, 2004, 132; J. BAEL, “Schenkingen en testamenten”, in Rechtskroniek voor het notariaat, Deel 10, Brugge, die Keure, 2007, 151 (het zou mogelijk moeten zijn dat de notaris het getuigschrift rechtstreeks aan de arts vraagt, zeker indien de cliënt daarvoor zijn toestemming heeft gegeven) en B. VAN ROY, “Recente rechtspraak inzake de wilsgeschiktheid om te testeren en het beroepsgeheim van de geneesheer”, Not.Fisc.M. 2007, 78.
7 Zie J. BAEL, “De Gezondheid van Geest van de Schenker of de Testator En Het Beroepsgeheim van de Arts : Kan de Notaris Rechtstreeks Een Arts Raadplegen?” in Patrimonium 2024, edited by Charlotte Declerck and Sven Mosselmans, vol. 19, die Keure, 2024, p. 314, randnummer 27.
8 Die evolutie van een absolute naar een functionele opvatting van het beroepsgeheim werd al eerder toegelicht in een bijdrage van B. VAN ROY, “Recente rechtspraak inzake de wilsgeschiktheid om te testeren en het beroepsgeheim van de geneesheer” , Not. Fisc. M. 2007, afl. 3, p. 76.
Auteur
Katalien Van Holsbeke (LinkedIn-profiel) is advocaat verbonden aan de balie van Gent. Zij is gespecialiseerd in het ruim burgerlijk recht en heeft inmiddels 13 jaar ervaring in geschillenbeslechting met een bijzondere interesse in familierecht, familiaal vermogensrecht en procedures vereffening-verdeling na overlijden of na echtscheiding.
Blijf geïnformeerd
Blijf op de hoogte van de actualiteit over financiële planning. Schrijf u in voor onze maandelijkse nieuwsbrief.
Ontdek meer van onze nieuwsartikels omtrent successieplanning.
Neem deel aan onze infosessies
De Strategica-experten komen regelmatig aan het woord tijdens onze gratis regionale en online infosessies over de verschillende domeinen van financiële planning.